« vorige bladzijde

Priester zijn vandaag
Zijn we zo te beklagen?

I. Hoe voelen we ons?
II. Wie zijn we? Zijn en Doen
III. Wat doen wij?

In een overgangstijd, zoals op elke leeftijd trouwens, is het goed een 'check up' te doen. Hoe staat het met onze 'algemene toestand'? Wat zijn onze kwalen en wat zijn onze verwachtingen? Over ons, priesters, worden er vragen gesteld. Je kan er drie in onderkennen: hoe voelt de priester zich? (de psychologie), wat is hij? (de theologie) en wat doet hij? (de pastoraal). Hoe gaat het met ons? Zijn we te beklagen of mogen we vertrouwen hebben?

I Hoe voelen we ons?

De gevoelens die men ons nogal eens aanmeet deze laatste decennia zijn vaak negatief. We zijn troosteloze werkers in een herfstachtig kerkbeeld. Als het nog geen winterlandschap is. Dat is inderdaad gesteund op sommige feiten. De vallende bladeren ziet iedereen en journalisten maken er soms compost van in zwarte verhalen. We kennen het stilaan wel: het refrein van de roepingencrisis en het teruglopend kerkbezoek. Dat refrein wordt zo vaak gezongen dat we er de strofen van het hele lied bij zouden gaan vergeten. De feiten zijn er dus, maar het is nog zeer de vraag of al die negativiteit de priester kan karakteriseren in de diepte. Ze zijn maar het pak waarin we rondlopen, maar wat we daaronder zijn is anders.

 ^ top 

Want we hebben vreugden

Iedere priester voelt ergens dat zijn roeping hem van elders is gegeven. Hij heeft ze zonder enige verdienste in zich eens gevonden en pas daarna gecultiveerd. We kunnen er niets aan doen, maar we zijn ‘bezocht’ geweest. We kregen ‘bezoek vanuit den hoge’, zoals Benedictus het zegt. Onze roeping hebben we zelf niet geproduceerd, we hebben ze ontvangen en dat maakt blij. Ze is een geschenk en wie krijgt kan niet verdrietig zijn. Wie gaf ons dat ‘kwetsbare hart’ dat zo gevoelig is voor God, voor Christus, voor de Kerk en voor de medemensen? Niet wij! Het was een ‘schat in de akker’ en een ‘verborgen parel’. En we hebben ze gevonden. Eureka, zo staat er in het Griekse evangelie. En dit is een vreugdekreet. Wie heeft het zo gemaakt dat ons hart telkens weer geraakt wordt bij zoveel evangelieteksten, telkens opnieuw. Kom eens kijken. Jij, kom en volg mij!. We hebben een passie voor de Christus. Al van bij ons eerste contact kregen we een ‘kwetsuur’ die sindsdien niet meer is dichtgegroeid. Wie eenmaal door de Christus is geraakt, geneest daar nooit meer van. Sommige evangelies kleven ons aan de huid; sommige gevoeligheden zijn gefixeerd in onze genen: de voorkeursliefde voor de arme, de kinderen, de zieken en de zondaars. We vertonen al jaren een ‘onaangepast’ gedrag: naďeve kinderen, dartelend in een wereld van rentabiliteit, winst en rationaliteit. Wie is nu geboeid door armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid? En op sommige uren van gebed en van de liturgie is er een gebed in ons; we krijgen het zo warm.
We hebben noch vrouw, noch kinderen. En toch voelen we diep in ons een ‘vaderschap’. We zijn niet enkel profeten die spreken, of dienaars die dienen, of liturgen die vieren; we voelen dat we leven geven aan hen voor wie we zorgen, soms materieel in de caritas, heel veel psychisch door bemoediging en vrede. Maar altijd spiritueel: we brengen kinderen Gods voort en we voeden ze. We zijn vaders van velen. We hoeden ons voor paternalisme, maar vaders zijn we.
Wij, priesters, hebben ook een passie voor de Kerk. Zeker, we kunnen aan de Kerk lijden, en er kritiek op hebben, maar diep in ons bewustzijn en in ons hart weten en voelen we wat het geheim is van de Kerk: haar moederschap over alle mensen. Hoe kan het anders bij vaders? En die passie neemt niet af met de leeftijd. We zijn zoals Paulus. In zijn vroege brieven (1 + 2 Kor) had hij het over parochiekommer en –kwel; Later, tijdens zijn gevangenschap (Ef. – Kol. – Fil) over het diepe mysterie van de Kerk. Overigens hebben we alles aan de Kerk te danken: woord, sacrament, en onze pastorale geloofwaardigheid.
Er is een andere grote troost en blijdschap: de weldaad van de interioriteit en de intieme gebedsomgang met God. Het gebed is niet alleen de inzet van veel strijd om tijd te vinden en los te komen van agenda en kalender, het is ook de ware oase en rustplaats temidden van de ‘hitte van de dag’. We hebben tot onze beschikking niet alleen het fitnesscenter van onze pastorale vorming en scholing (de na-vorming) maar ook de therapie van het gebed. Daar zijn het de psalmen die geschreven staan op ons hartritme en het corrigeren wanneer het al te gestresseerd slaat; is er de heling die uitgaat van dank- en lofpsalmen en van de uitlaatklep van de klaagpsalmen tot de revolte toe. Het getijdengebed is een uitstekend dieet voor ons priesters: het vult het tekort aan sommige vitaminen aan. We hebben ook het voorrecht te mogen bidden zoals Mozes: oorspreker voor anderen. Alle intenties van onze parochies en gemeenschappen nemen we op en sturen we naar God. En we zeggen, zoals Mozes: ‘Spaar hem, Heer, en neem liever mij’.
Tenslotte is er de vreugde van de ‘evangelische vrijheid’. We staan makkelijker dan onze broers en zussen in de wereld, los van bezit, seksualiteit en macht. We hebben het gehoord, dat alles wat we om zijnentwil hebben verlaten – ouders, vrouw, huis, akker en ezel – dat we dat honderdvoudig terugkrijgen, hier op aarde en het eeuwige leven er bovenop.

De last en de hitte van de dag

Maar er zijn ook dingen die ons wegen en waar verdriet om is. We zijn vooreerst met alsmaar minder. Zullen de gemeenschappen nog priesters hebben? Het dal lijkt diep en wordt schijnbaar met de dag dieper. Het is normaal dat we daaraan lijden. Enerzijds kan een historisch perspectief ons helpen: dit is lang niet de eerste keer dat dit een locale Kerk overkomt. Men zegt dat er begin 1900 niet veel meer priesterkandidaten waren in Brugge dan nu. Daarbij vergelijken gelovigen van een zekere leeftijd dit met het rijke roomse leven van de voorgaande eeuw en de roepingen-boom van de oorlogs- en naoorlogse jaren en we nemen de overvloed aan priesters als de standaardmaat. Veel priesters hebben is eerder niet zo normaal. En tenslotte leert ons dit dal dat niemand – ook de Kerk niet – priesters kan maken; we moeten ze krijgen. Het zal ons meer doen beseffen dat we ‘eten uit Gods hand’, en dus al dankbaar moeten zijn dat we in dit vastenregime onze nooddruft krijgen. Vasten is een groeitijd naar Pasen.

 ^ top 

Kristoffel

We hebben het ook niet gemakkelijk omdat we elke dag weer Kristoffel moeten spelen, en het Kind Jezus door het water tussen twee oevers moeten dragen. Die twee oevers lijken zich soms zelfs van elkaar te verwijderen. We zijn veerboten tussen wet en barmhartigheid, tussen leer en praxis, tussen rechtgelovigheid en inculturatie, tussen traditie en creativiteit, tussen... Rome en hier. En ook ons hart wordt van uur tot uur onder spanning gezet: we moeten overgaan van de vreugde om een huwelijk en een doopsel, naar medeleven met de rouw bij een uitvaart. Onze cardiogram moet wel heel grote amplitude-verschillen en ritmeversnellingen doorkomen.

 ^ top 

Nieuwe vragen

Elke dag weer hebben we te maken met nieuwe en moeilijke vragen: moreel en pastoraal. Eén ritme in het nieuws brengt ’s anderendaags ‘s morgens al een hoop vragen mee vanwege de mensen: over aids en condooms, over bio-ethische kwesties, over wereldeconomie en rechts in de politiek, over huwelijksproblematiek, over de toegang tot de sacramenten, laks of rigoureus, over hertekening van het pastorale landschap, over fusies, schaalvergroting en federatievorming, over ‘waar gaat het naartoe?’ Alle grote problemen die vroeger belandden op de tafel van de moraaltheoloog of canonist van dienst, belanden nu op onze tafel. En wij zijn toch maar omnipractici. Men wil hedentendage voor alles dadelijk een specialist. De problemen zijn gevulgariseerd, maar de oplossingen niet.

Ontbossing van het christelijk geheugen

Het christelijke geheugen raakt daarbij grotendeels ontbost. Gelovigen – vooral de jongere generaties – hebben weinig of geen parate geloofskennis en een heel arm vocabularium inzake geloof. Daarbij is en blijft er een taalprobleem. De termen die we ontlenen aan ‘de huis-, tuin- en keukentaal’ zijn niet zomaar geschikt om de werkelijkheid van geloofs- en kerkzaken te verwoorden. Nemen we het woord gezag. Buiten de Kerk is dit louter autoriteit, in de Kerk krijgt het daarbij de connotatie van dienen. De Kerk is democratisch en ze is het tegelijk niet: ze kent wel inspraak van allen, maar haar sprekersrecht komt van God. De waarheid in de Kerk komt van boven, ze is nooit statistisch te bepalen en zeker niet democratisch ter stemming voor te leggen. Alle christenen dragen verantwoordelijkheid in de Kerk, maar het is morele verantwoordelijkheid.

De termen uit het dagelijkse taalgebruik gebruik zijn als ‘pręt-ŕ-porter’ kledingstukken: ze passen nooit perfect. De waarheden van God vragen speciale maatkledij.

 ^ top 

Broze vaten

Tenslotte is er een laatste reden tot zorg en zelfs tot verdriet: dat wij deze schat dragen ‘in broze vaten’. Wij, kerkmensen, zijn broos en zwak, zondaars. Men denke maar aan autoritair gedrag, aan geldzucht, eerzucht en machtzucht, aan pedofilie en aan oneerlijke celibaatsbeleving. En aan al de fouten van onze voorvaderen: het zijn wel de onze niet, maar ze zijn wel fouten van onze stamboom en onze familie. Gelukkig hebben we Paulus. Best dat hij ons al voor was toen hij zei: ‘Kracht wordt precies in de zwakheid volkomen’ (2 Kor 12, 9).

 ^ top 

II Wie zijn we ? Zijn en doen

Als we nader toezien, ligt aan de wortel van al onze zorgen, ontmoediging en verdriet één zaak: ons soms verduisterd zelfbewustzijn als priester. De crisis ligt niet in wat we hebben of moeten doen, maar in de perceptie van ons ‘zijn’. Wie zijn we als priester. Als de stam ziek is, worden de bladeren van de boom geel en draagt hij geen vruchten. De priesterproblematiek op onze dagen – bij ons en bij de alle gelovigen – ligt hierin: weten wij wie de priester is? Dit identiteitsbesef is onontbeerlijk. Het profiel van ons zijn, moet duidelijk worden gezien en aanvaard. Deze profilering heeft niets met macht of suprematie te maken, maar met het staan in de waarheid.
Het ‘zijn’ is meer dan het ‘doen’. Zo ook bij de priester. Niet in de eerste plaats wat hij kan ‘doen’ bepaalt hem, maar wie hij ‘is’. De socioloog beschrijft het ‘doen’ van de priester: hij constateert, ordent, meet en vergelijkt met vroegere enquętes. Maar het geloof vat het ‘zijn’ van de priester. De psycholoog kan analyseren hoe de priester zich voelt, hij kan diagnoses stellen en therapieën uitdenken. Maar het ‘zijn’ van de priester ontsnapt hem. Het is het geloof dat doordringt tot wat de priester is, en dat niet blijft hangen bij wat hij doet of hoe hij zich ‘voelt’. Daarom ontsnapt de kern van het priesterschap aan alle wetenschappelijke en menswetenschappelijke disciplines, zelfs aan de theologie. Na alle investigatie blijft er een ‘kritische massa’, die buiten het geloof niet te vatten is.

 ^ top 

Van elders gezonden

Wat zegt dan het geloof? Een priester is aan de christelijke gemeenschap gegeven. Hij komt als gezonden van elders, in alle betekenissen van die uitdrukking. Hij is een geschenk aan ons, van God en van de Kerk. De gemeenschap kan hem eventueel voorstellen – al hoeft dit niet – maar kan hem niet tot haar priester maken. Hij wordt gewijd, dat is Gods werk, en gezonden, dit is het werk van de Kerk. Dat ‘komen van elders’ plaatst de priester in een ‘vis-ŕ-vis’ ten aanzien van de gemeenschap: hij is er voor haar en tegenover haar, hij is met hen gelovige en voor hen priester. Dit ‘vis-ŕ-vis’ symboliseert en realiseert de transcendente actie van Christus: als hij doopt, is het Christus die doopt, als hij de eucharistie viert, is het Christus die zegt: ‘Dit is mijn Lichaam’.
Zo wordt het voor iedereen duidelijk dat de plaatselijke gemeenschap het priesterschap van haar voorganger niet put uit haar eigen schoot. Ze krijgt hem door wijding vanwege de Kerk. Maar ook de Kerk put het priesterschap niet uit haar eigen zijn: ook zij krijgt priesters van de Christus die ze zendt. Daarom trouwens wordt een priester niet gewijd door een gezagsverklaring vanwege de bisschop: Ik verklaar u priester, maar door een gebed: ook de Kerk moet haar priesters krijgen. Daarom vraagt ze die in de wijdingsprefatie.

 ^ top 

Theologieën

Deze herkomst van de priester en zijn wezen dat daaruit voortvloeit, wordt door de theoloog zover als het kan verhelderd en begrijpelijk gemaakt. Maar helemaal ontrafeld wordt het mysterie niet. Daarom zijn er ook meerdere theologieën over het priesterschap. Alle wijzen ze naar dezelfde diepte: geen enkele van hen vat de priester geheel. Zo is er een priestertheologie die vertrekt van de priester als man van het Woord. Maar dan tot en met het performante, sacramentele woord. Anderen spreken over de priester als ‘de man die één maakt’, de man van de ‘communio’. Maar dan wel tot de mystieke eenheid, die veel meer is dan sociologisch bij elkaar zijn of psychologisch samen voelen. Het is de sacramentele eenheid van het Mystieke Lichaam van Christus. Weer anderen – en dit is zo in de klassieke leer – zien de priester als de ‘man van het offer’. Maar dan wel een offer dat ook maaltijd is en dat vervat is in het schrijn van het Woord en de Verkondiging. Geen enkele theologie is dus toereikend om het mysterie van de priester te vatten. Er valt altijd iets verder te preciseren dat dreigt tussen de plooien te vallen. De priester is altijd iets anders en meer nog dan man van het woord, van de eenheid en van het eucharistisch offer.

 ^ top 

Prediker, celebrant, herder

Dit blijkt ook nog uit iets anders. Men noemt de priester prediker, celebrant en herder. Terecht. Maar hij is een prediker in een diepere betekenis dan die van het woordenboek. Hij is niet zomaar een vaardig spreker – priesters zijn dit lang niet allemaal – maar een man die spreekt met gezag. Zijn spreken is een ‘gewaarborgd’ spreken. Door zijn wijding en zijn insertie in de Kerk, spreekt hij namens God. Dat zoiets bij voorkeur ook een zekere spreekvaardigheid – zelfs welsprekendheid – impliceert is duidelijk. Hij wordt daarvoor ook opgeleid. Maar de zegkracht van zijn spreken komt niet voort uit zijn begaafdheid om te communiceren, maar uit zijn zending door God en de Kerk. De priester is ook celebrant. Dat sluit natuurlijk bij voorkeur ook animatiebegaafdheid in. Maar een celebrant is anders dan een animator. De celebrant viert liturgie en die haalt haar kracht elders dan uit de gave van creativiteit en entertainment van wie viert. De priester is tenslotte ook leider van een gemeenschap. Maar we noemen hem bij voorkeur ‘herder’. Een herder haalt zijn charisma niet in de eerste plaats uit menselijke bestuurstalenten en begaafdheid. Men kan zich gemakkelijk andere leiders voorstellen met een grotere agogische begaafdheid, die beter groepen kunnen bijeenhouden en sterker zijn in het omgaan met spanningen en conflicten. Daar ligt het specifieke niet van het leiderschap van de priester. De priester put zijn ‘gezag’ niet uit zichzelf. Het komt hem toe vanwege de enige Herder: de Christus. ‘Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot mij. En wie Mij verstoot, verstoot Hem die Mij gezonden heeft.’ (Lc 10,16). Een priester is dus meer prediker dan spreker, meer celebrant dan animator, meer herder dan leider. Iemand die dit perfect heeft verstaan is Franciscus van Assisië: De Heer heeft mij een groot vertrouwen gegeven in de priesters, die leven volgens de normen van de heilige Roomse Kerk, omwille van hun wijding. Zelfs als ze mij zouden vervolgen, nog zou ik tot hen mijn toevlucht nemen. Als ik zulke wijsheid zou hebben als Salomo en arme en kleine priesters zou tegenkomen, die in zonde leven, dan zou ik nog in de dorpen waar ze wonen, niet willen prediken tegen hun wil. Hem en al de anderen, ik wil ze eerbiedigen, liefhebben en eren. (Testament van Franciscus). Er steekt dus in de priester – in zijn spreken, zijn vieren en besturen een ‘gelovig surplus’.

 ^ top 

III Wat doen wij?

Noch paniek, noch onbezorgdheid

We leven in een woelige tijd. Wij priesters, samen met alle andere mensen. Boeiend maar woelig. De referentiepunten raken op drift en de sterren schijnen te bewegen. Wat doen? Er is wellicht reden tot bezorgdheid, maar niet tot paniek. Er zullen weinig priesters zijn bij ons in de nabije toekomst. Maar we zijn niet eens de meest priesterarme kerk in de wereld. We zijn zo gewoon geraakt aan een koppel priesters bij elke klokketoren, dat we vergeten dat in missiegebieden het nog nooit anders is geweest dan een centrumparochie met daar rond een aantal dochterkerken. Latijns-Amerika heeft gedurende eeuwen heel weinig autochtone priesters gehad en veel buitenlanders. En nu gebeurt daar het ongelofelijke: wat sinds vier eeuwen zo was, is plots anders: de seminaries zitten vol. Op het gebied van priesterschaarste is het niet zinvol te doen aan extrapolatie vanuit het nu naar de toekomst. Er is wel voor velen onder ons de kruisigende ervaring dat we het anders hebben gekend: volle seminaries en volle kerken. Jongere priesters hebben het op dit vlak makkelijker. Ze voelen zich helemaal geen ‘loosers’.
De priesterschaarste en de dalende kerkpraktijk nopen ons tot iets diep christelijks: we worden verplicht op God onze hoop te stellen. We redden het zelf niet, God moet komen. Er was een storm nodig op het meer om de leerlingen ertoe te bewegen hun visserskunst achter zich te laten en de Heer uit de slaap te wekken: ‘Heer, red ons. We vergaan’. En het antwoord was: ‘Kleingelovigen, waarom hebt ge getwijfeld?’.
Daarenboven is de Kerk er bij elke crisis in geslaagd zich een nieuw biotoop te scheppen in een nieuwe cultuur. Ze is een plant die zich heeft aangepast aan elke grond. De Kerk is zeer aanpassingsvaardig en toch trouw. Ze heeft al zoveel cultuurmutaties overleefd. Want ze is een levend wezen: ze groeit als een kind in de schoot van de ontwikkelende geschiedenis van Moeder Aarde.

 ^ top 

Komt er dan een nieuw type priester?

Ja en neen. Er komt een nieuwe cultuur en daarin moet de priester zich waar weten te maken. Het sociaal weefsel is gescheurd en de natuurlijke verbanden van dorp en stad zijn losgemaakt. Er is een groot individualisme en meteen ook heel veel eenzaamheid. We zijn alleen met velen. Er is veel nood: fysisch, psychisch en spiritueel. Het is alsof er achter elke verholpen nood een nieuwe, met grotere intensiteit opduikt. Onze elementaire, materiële behoeften zijn voor velen vrijwel helemaal bevredigd. Daar duikt dan de stoet van psychische pijn en kwalen op: depressie, neuroses en zelfdodingen. En daarachter is er al iets anders goed merkbaar: een nieuwe religieuze honger die zich aandient onder de naam van zingevingproblematiek. In de westerse kerk sterft een sociologisch christendom: men wordt veelal geen christen meer door geboorte en traditie. Er groeit stilaan een vrijwilligheidchristendom: komen tot geloof is de vrucht van een persoonlijke, vrije beslissing. Het nieuwe type priester zal binnen die coördinaten moeten leven. Maar hij blijft dezelfde: verkondiger van de Blijde Boodschap, liturg van de heilige geheimen en herder die zijn schapen kent en zijn leven voor hen geeft. Omdat blijft wat hij in zijn diepste wezen is: de presentsteller van Christus’ Hoofd in zijn Kerk.

 ^ top 

De parabels van de hoop

Een zaak is nodig voor de priesters in dit tijdsbestel: dat wij mensen van hoop blijven, in staat om aan anderen hoop te geven. Ons ministerie is er één van de bemoediging. Daarom is het goed de vier parabels te lezen die Marcus heeft samen gezet in zijn vierde hoofdstuk: de zaaier, het zelfkiemende zaad, het mosterdzaadje en het licht op de kandelaar. Marcus plaatst ze op een scharniermoment van het evangelie: precies als de apostelen gaan twijfelen aan het feit of zij het wel redden om het Rijk Gods te doen komen. ‘Is het met ons dat dit allemaal moet gebeuren’, zeggen ze, ‘we halen het nooit’. En Jezus antwoordt met vier parabels. Hij zegt: ‘Je ziet de hindernissen: de rotsblokken, de distels en doornen, de betreden paden, de vogels die het zaad roven. Maar wat jullie nog veel meer zouden moeten zien, is dat er altijd ergens goede grond aanwezig is waar het zaad wel opschiet; maar jullie weten niet waar. Kijk dus niet naar de obstakels: zaai!’. ‘Of jullie denken dat het zaad kiemt omdat je erbij blijft zitten en het wil doen opschieten. Dat denkt de boer niet: hij zaait en hij gaat slapen. Vanzelf immers kiemt het zaad, niet dankzij jullie lopen en hollen.’ ‘Ofwel denken jullie: de oogst is geproportioneerd aan het zaad.’ ‘Neen’, zegt Jezus, ‘gedisproportioneerd. Zie naar het mosterdzaadje: het is onooglijk klein, maar de mosterdstruik is zo groot dat alle vogels van de hemel erin komen nestelen. Neen, het is niet zo dat wat klein begint, ook klein zal eindigen. En tenslotte hebben jullie de lamp van de evangelisatie aangestoken, verberg ze niet, plaats ze op de kandelaar. Als jullie begonnen zijn, doe dan voort en hou vol.’ Dat is gewoon logica: voortdoen!

 ^ top 

Het apostolisch lijden

We hebben problemen met lijden en tegenslag in ons apostolisch doen. Het lukt maar niet. En dan gaan we vragen ‘waarom?’. Het eerste antwoord is: we doen het wellicht niet goed, het ontbreekt ons aan inzicht, vaardigheid of edelmoedigheid. Misschien wel. Maar daar ligt de laatste oorzaak niet. Ook als we het perfect zouden doen, dan nog zal het niet perfect lopen. Of we zeggen: was de Kerk maar beter en de paus, de bisschoppen en wij, priesters, en alle christenen er nog bij, dan zou men staan trappelen aan de poort om binnen te komen. Neen. Jezus deed alles perfect, en ze zijn niet binnen gekomen, maar hebben Hem buiten geworpen en gekruisigd ‘buiten de stad’. Maar er zit een diepe waarheid in het apostolisch lijden. Wij lijden uiteindelijk niet door de ontoereikendheid van onszelf of van de Kerk. Ons lijden in het priesterwerk is een geheim. Paulus heeft dat ook maar later in zijn leven begrepen. Het is eerst in zijn brief aan de Kolossenzen dat hij zegt: ‘Ik vul aan in mijn lichaam wat er nog aan Christus’ lijden ontbreekt, ten bate van de Kerk.’ (Kol 1,24). Apostolisch lijden is mede-verlossend lijden. Het is geen gevolg alleen van onze onbekwaamheid en ons falen: het is een verlossingsgeheim. Het lijden moet niet worden gecultiveerd in een soort ‘dolorisme’. Dat is hoogmoed. Maar er bestaat wel een ‘mystiek van het lijden’. De verlossing van de mensheid is tot deze prijs. Het is Jezus’ lot en voorrecht, ook het onze.

 ^ top 

Het roepingenprobleem

Over de terugloop van de roepingen is al een bibliotheek geschreven. Iedereen buigt er zich over: de socioloog, de psycholoog, de theoloog, de herders in de Kerk en ook de gelovigen. Er zijn vele verklaringen voor aangewezen en ze hebben wellicht allemaal hun waarheid. Maar als we de roepingencrisis nu eens gelovig bekeken? We komen uit een tijd waarin we vrijwel alles hadden: personeel, financies, prestige, macht. Het Rijke Roomse leven. Hebben we toen niet teveel gedacht: we zijn self-supporting. We redden het wel. Met de hulp Gods, jawel, maar subsidiair. God mag helpen, wij doen het. Hebben de Joden dat ook niet gedacht in de gouden tijd van David en de koningen? We hebben een tempel, een heilige Stad, een koning, een maximaal uitgebreid rijk, een priesterkaste en een leger schriftgeleerden. Toen heeft God alles afgenomen en hen in ballingschap gevoerd. Ze hadden niets meer. Daar zingt de profeet Daniël aan de oever van Babels stromen een ander lied: ‘Wij hebben nu geen koning meer, geen profeet, geen leider, geen brand- en slachtoffers, geen spijsoffer en reukwerk, zelfs geen heilige plaats waar wij aan U kunnen offeren om zo uw barmhartigheid te kunnen ervaren. Maar laat ons bij U gehoor vinden vanwege ons vermorzeld hart en onze ootmoedige geest…Moge vandaag ons offer bestaan in volmaakte aanhankelijkheid aan U. Thans volgen we U van ganser harte, wij eerbiedigen U en zoeken U.’ (Dn 3,39vv.). Als dit nu eens onze Babylonische gevangenschap was. Dan zijn we wellicht op weg naar de tijd van een vermorzeld hart en een ootmoedige geest en naar de totale aanhankelijkheid. Waar ligt dan het probleem nog? Jezus gaat misschien met ons mee, zoals met de leerlingen van Emmaüs, en zegt: O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten voorzegd hebben! (Lc 24, 25). We hadden het moeten weten, nog een keer!

+ Godfried Kardinaal Danneels - Aartsbisschop van Mechelen-Brussel.

Kardinaal Danneels schreef deze tekst voor Ministrando op basis van zijn conferentie op de terugkomdag voor de priesters in het Grootseminarie te Brugge op 13 september 2004.
Dit artikel verscheen in Ministrando - Jaargang 41, nr. 2, 2005

 ^ top