Bijbels portret van een geroepene


» Inleiding
1. Nood aan een oudere broer/zus in het geloof die ons vertrouwd maakt met de stem van de Heer
2. Ik roep mezelf niet. Ik word geroepen. God neemt het initiatief
3. Een antwoord om vol overgave ‘ja’ te zijn
4. Besef van onverdiende uitverkiezing, van eigen onwaardigheid, te leven uit barmhartigheid
5. Het geluk van de geroepene. Vreugde omdat God ons roept.
6. De geroepene krijgt een ander hart, wordt een nieuwe mens
7. Onteigening van de geroepene
8. Pijn en eenzaamheid van de geroepene, maar nooit zonder hoop
9. Uitverkoren om te getuigen, gezonden om te dienen
10. Ondervraagd over de liefde



Inleiding
Een christen kent zoals iedere mens blije en droeve dagen in het leven, momenten van vreugde en hoop naast tijden van onrust en verdriet. Al die levenservaringen kunnen mensen met elkaar delen. Een christen weet zich in zijn dagelijks bestaan ook aangesproken door Iemand die groter is dan zijn hart. Hij verneemt een Woord dat hem bij name noemt, liefde toezegt en uitnodigt om voluit het leven met God te delen. Christenen ondervinden hoe Jezus hun hart aanspreekt en hen roept om Hem van nabij te volgen. Christen-worden is de roeping die alle gedoopten met elkaar delen.

Het is bijzonder verrijkend om onze eigen ervaringen in onze groei als christen (vragen, twijfels, strijd, rust en zekerheid) even tegen het licht te houden van wat de Schrift ons over roeping vertelt. In telkens nieuwe situaties en op telkens nieuwe wijzen hebben mensen de roepstem van de Heer vernomen en beantwoord. De Bijbel bevat een rijke schat aan roepingsverhalen waarin mensen uit diverse tijden getuigen hoe ze leerden leven met de Heer. Het is goed die teksten te lezen, te overwegen en ermee te bidden in de hoop dat wij met het licht van Gods genade wat klaarder zien in onszelf. Een dergelijke bezinning kan ons helpen de echtheid en de diepgang van onze eigen levensroeping na te gaan.

De roeping om als christen door het leven te gaan, kan veel concrete vormen aannemen. Na een onderscheidingsproces ontdekken christenen hun persoonlijke levensroeping als gehuwde, als diaken, als priester, als kloosterling, als godgewijde, als parochie-assistent, als pastoraal werkende, als missionaris, … In wat volgt staan we niet stil bij de eigenheid van de diverse roepingen. We menen in de roeping van iedere christen – welke concrete gestalte ze ook aanneemt – een aantal gemeenschappelijke grondtrekken te kunnen vaststellen.

  ^  top  



1. Nood aan een oudere broer/zus in het geloof die ons vertrouwd maakt met de stem van de Heer

In onze tijd en samenleving is het verre van evident je door God aangesproken te weten. We ademen een tijdsgeest in die een dergelijke ontdekking niet direct bevordert. Er wordt soms maar weinig meer geluisterd naar wat God aan mensen wil zeggen. Zijn stille stem lijkt niet op te kunnen tegen het nooit stilvallende lawaai van reclame, opiniemakers, media en het eindeloos gepraat van mensen. God komt hoe langer hoe minder ter sprake in de publieke ruimte. Hij krijgt zelden of nooit het woord op radio en TV. Hij wordt dikwijls het zwijgen opgelegd in onze wereld als mensen vrij en zelfstandig hun leven willen uitbouwen en zelf willen beslissen over leven en dood.

Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat wij zoals de jonge Samuël soms maar weinig meer vertrouwd zijn met Gods stem. We kennen Hem niet goed en we herkennen Hem niet als Hij ons aanspreekt en bij name roept. We denken zo gemakkelijk dat enkel mensen onze naam noemen en roepen. We hebben het moeilijk om te geloven dat God ons bij name kent en aanspreekt.

Samuël kende de Heer nog niet: een woord van de Heer was hem nog nooit geopenbaard. En weer riep de Heer Samuël; nu voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt mij toch geroepen?’ Toen begreep Eli dat het de Heer was die de jongen riep. En hij zei tegen Samuël: ‘Ga slapen, en mocht Hij je roepen, dan moet je zeggen: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.”’ Samuël ging dus weer op zijn gewone plaats slapen. Toen kwam de Heer bij hem staan en riep, evenals de vorige keren: ‘Samuël, Samuël!’ En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’ (1S 3,7-10)

Hopelijk zet God ook op onze levensweg een oude Eli, een vader of moeder in het geloof, iemand die al lang in Gods nabijheid heeft geleefd. Zo’n oudere broer of zus in het geloof helpt ons om de stem van God te onderscheiden tussen zoveel lawaai dat ons doof dreigt te maken. De Schrift leert ons dat mensen elkaar tot steun kunnen zijn in het ontdekken van hun roeping. Andere geroepenen brengen ons bij de Heer. Lees er maar eens Joh 1, 35-51 op na. Johannes de Doper laat twee van zijn leerlingen kennis maken met Jezus. Andreas brengt zijn broer Simon bij Jezus. Filippus bemiddelt het contact tussen Natanaël en Jezus.

De volgende dag was Johannes daar weer; twee van zijn leerlingen waren bij hem. Hij richtte zijn blik op Jezus, die daar langskwam, en zei: ‘Daar is het Lam van God.’ De twee leerlingen gaven gehoor aan zijn woord en volgden Jezus. Jezus keerde zich om, zag dat ze Hem volgden en sprak hen aan: ‘Zoeken jullie iets?’ Ze zeiden: ‘Rabbi (dat betekent: meester), waar houdt U uw verblijf?’ Hij antwoordde: ‘Kom mee en je zult het zien.’ Ze gingen mee, en zagen waar Hij zijn verblijf hield. En ze verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer het tiende uur.

Andreas, de broer van Simon Petrus, was een van die twee die naar Johannes hadden geluisterd en Jezus waren gevolgd. De eerste die hij ging opzoeken was zijn broer Simon. ‘We hebben de Messias gevonden!’ zei hij. (Messias betekent: gezalfde.) Daarop bracht hij hem bij Jezus. Jezus richtte zijn blik op hem en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes; voortaan zul je Kefas heten.’ (Dat betekent: rots).

De volgende dag, toen Hij besloten had om naar Galilea te gaan, ontmoette Hij Filippus. ‘Volg Mij,’ zei Jezus tegen hem. Filippus was afkomstig uit Betsaïda, de stad waar ook Andreas en Petrus vandaan kwamen. Filippus ging Natanaël opzoeken en zei tegen hem: ‘Degene over wie Mozes in de Wet en ook de profeten hebben geschreven, die hebben we gevonden: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.’ ‘Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ Maar Filippus hield vol: ‘Kom mee en je zult het zien.’ Jezus zag dat Natanaël naar Hem toe kwam en zei over hem: ‘Daar heb je een echte Israëliet, in wie geen oneerlijkheid is.’ ‘Waar kent U mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Nog voordat Filippus je kwam roepen, toen je onder de vijgenboom zat, had Ik je al gezien.’ ‘Rabbi,’ zei Natanaël, ‘U bent de Zoon van God, U bent de koning van Israël!’ Waarop Jezus zei: ‘Je gelooft dus omdat Ik zei dat Ik je gezien heb onder de vijgenboom? Je zult nog grotere dingen zien! ’En Hij voegde eraan toe: ‘Waarachtig, Ik verzeker jullie: je zult zien hoe de hemel geopend is en Gods engelen opstijgen en neerdalen boven de Mensenzoon.’

 

Wie heeft mij vertrouwd gemaakt met Jezus’ roepstem?

Wie doet dit nog op vandaag?

Voor wie mocht/mag ik een oudere broer of zus zijn in het geloof?


In de drukte van het leven
hoor ik nauwelijks uw stem, o Heer.
Zoveel beelden en klanken
eisen voortdurend mijn aandacht op.
Breng me in de stilte,
leid me in mijn binnenkamer,
U die mijn hart bewoont.
Zend gidsen op mijn weg
die me leren om me af te stemmen
op uw Woord.
Geef me dan de moed
om mij gewonnen te geven
en in uw dienst te leven.

  ^  top  


2. Ik roep mezelf niet. Ik word geroepen. God neemt het initiatief.

Misschien heb je ook al ondervonden dat de roepingsgedachte sterker is dan jezelf. Roeping ontsnapt aan je eigen wil of plannen. Je komt jezelf niet aan de Heer voorstellen met de nodige deugden en diploma’s. Je wordt als het ware getrokken, je raakt geboeid, soms wel tegen je onmiddellijke goesting in. Je kan de indruk hebben er mee opgezadeld te zijn. Een roeping kan ons overvallen, ze overkomt ons. Je kan ze niet afdwingen, niet opeisen, niet programmeren. Je wordt geroepen en je kunt er op momenten echt het lijdend voorwerp van zijn. Iemand anders spreekt je aan, nodigt uit, roept. Andere mensen doen een beroep op je inzet, je aandacht, je vriendschap. Maar doorheen hun roepen en smeken, mag je in geloof God zelf aan het woord weten. Hij doet een beroep op jouw dienst, jouw hart en leven. Hij staat aan het begin van elke roepinggeschiedenis.

Marcus (3, 13-14) zegt het zo goed: Jezus roept tot zich wie Hij zelf wil en Hij maakt er twaalf.

Hij ging de berg op en riep bij zich wie Hij wilde, en ze kwamen naar Hem toe. Hij stelde er twaalf aan, die Hij ook apostelen noemde, met de bedoeling dat ze Hem zouden vergezellen, en uitgezonden zouden worden om te verkondigen.

Niet jullie hebben Mij uitgekozen: nee, Ik heb jullie uitgekozen, zegt Jezus in het Johannesevangelie (Joh 15,16).
In Hnd 9, 3-6 lezen we hoe het de verrezen Heer is die Paulus aanspreekt:

Hij was op weg en naderde Damascus al, toen hem plotseling een hemels licht omstraalde. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?’ Hij zei: ‘Wie bent u dan, Heer?’ Deze antwoordde: ‘Ik ben Jezus die jij vervolgt. Kom, sta op en ga de stad binnen. Daar zal je gezegd worden wat je doen moet.’

En wanneer Mozes aangesproken wordt, is het de Heer zelf die hem vanuit de doornstruik bij name roept:

De Heer zag hem naderbij komen om te kijken. En vanuit de doornstruik riep God hem toe: ‘Mozes, Mozes.’ Hij antwoordde: ‘Hier ben ik.’ Toen sprak de Heer: ‘Kom niet dichterbij en doe uw sandalen uit, want de plaats waar u staat is heilige grond.’ (Ex 3, 4-5).

Hier raken we het diepe geheim van elke roeping: op een voor ons mensenverstand nooit helemaal te vatten wijze spreekt de Heer mensen aan. Hij houdt van mensen en roept hen in het Verbond. Hij wil ze nodig hebben en betrekken in zijn heilswerk. Elke roeping is geworteld in die wonderbare liefde van God die altijd eerst is.

 

Hoe ervaar ik dat mijn roeping niet mijn eerste keuze is maar voor alles Gods keuze is?

Hoe ga ik om met een onverwachte, misschien zelfs ongewenste roeping?


Heer, uw Woord van liefde
gaat al mijn denken en plannen vooraf.
U bent mij altijd voor.
Wat maakt ons zo kostbaar in uw ogen
dat U ons uitnodigt
om binnen te gaan in het Verbond?
Wat beweegt U
om ons te zoeken
en als uw kinderen aan te nemen?
Dank omdat U op mij uw oog laat vallen
en mij aanspreekt om geheel van U te zijn.
Dank voor het wonder
van uw uitverkiezende liefde.

  ^  top  


3. Een antwoord om vol overgave ‘ja’ te zijn

God is het die roept, maar Hij laat zijn mensen vrij. Hij eerbiedigt zijn mensen en dwingt hen niet. Hij klopt bescheiden aan de deur van ons hart en wacht, vol goddelijk geduld (zie: Apk 3,20).

Hij gunt ons de nodige tijd om te groeien naar een onverdeeld ‘ja’, naar een totale overgave. Hij wacht totdat wij zoals Samuël kunnen zeggen: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’ (1S 3,10). Hij laat ons groeien in beschikbaarheid tot wij zoals Maria kunnen antwoorden:‘Ik ben de dienares van de Heer; laat met mij gebeuren wat U gezegd hebt.’ (Lc 1,38).

Wanneer Marcus de roeping van de eerste leerlingen verhaalt, valt hun kordate en besliste antwoord op. Meteen, onmiddellijk laten ze alles achter om Jezus te volgen. Maar ook hun eerste jawoord zou nog beproefd en uitgezuiverd worden:

Toen Hij eens langs het meer van Galilea liep, zag Hij Simon en Simons broer Andreas op het meer hun netten uitgooien; want het waren vissers. Jezus sprak hen aan: ‘Kom achter Mij aan, en Ik zal jullie tot vissers van mensen maken.’ En meteen lieten ze de netten achter en volgden Hem. Een eindje verder zag Hij Jakobus van Zebedeüs en zijn broer Johannes; ze waren in hun boot de netten aan het klaren. Meteen riep Hij hen; en ze lieten hun vader Zebedeüs met zijn arbeiders in de boot achter en gingen achter Hem aan. (Mc 1,16-20).

In het roepingsverhaal van Elisa valt eveneens zijn beslist jawoord op na een eerste aarzeling:

Elia vertrok vanuit daar en trof Elisa, de zoon van Safat, terwijl die aan het ploegen was. Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit; hijzelf bevond zich bij het twaalfde. Toen Elia langskwam, wierp hij hem zijn mantel toe. Elisa liet de ossen in de steek, liep Elia achterna en zei: ‘Laat mij eerst afscheid nemen van mijn vader en moeder, dan zal ik u volgen.’ Hij antwoordde hem: ‘Ga maar weer terug; heb ik u soms tot iets verplicht?’ Hierop ging Elisa naar de ossen terug, nam zijn koppel, slachtte het, bereidde het vlees op het hout van de jukken en gaf het aan het werkvolk te eten. Daarna vertrok hij, volgde Elia en werd zijn dienaar. (1K 19,19-21).

Hoe meer wij vertrouwd zullen worden met de stem van de Heer, hoe beter wij volmondig ja zullen kunnen zeggen. De Heer kent geen verplichte diensttijd voor zijn geroepenen. Willen we zoals de rijke jongeman heengaan (Mt 19,22: Toen de jongeman dat woord hoorde, ging hij verdrietig weg, want hij had veel bezittingen) dan laat de Heer ons gaan. Maar zijn uitnodiging blijft. We mogen terugkomen om de Heer te volgen.

Ook voor ons is het van belang om in alle vrijheid een keuze te kunnen maken. De tijd die we nemen voor onze overweging verdient respect. Niemand heeft het recht ons met zachte hand te dwingen. Maar eens de keuze van ganser harte gemaakt is, willen we die keuze beminnen met een vertrouwvolle overgave die geen plaats laat voor vrees.

 

Wie of wat belemmert mij om volop ‘ja’ te zeggen als de Heer me roept?

Wie of wat helpt mij om volop ‘ja’ te antwoorden op de roep van de Heer?


Grootgeduldige God,
U klopt aan de deur van ons hart
en weet te wachten
tot wij opengaan voor U.
Zend uw Geest als een licht
in ons zoeken
naar een eerlijk antwoord op uw vraag.
Laat mij groeien
naar een ‘ja’ zonder voorbehoud.
Bevrijd me van al te lang aarzelen,
om geheel van U te zijn
in goede en kwade dagen.

  ^  top  


4. Besef van onverdiende uitverkiezing, van eigen onwaardigheid, te leven uit barmhartigheid

Wanneer wij ons geroepen weten om in Gods nabijheid te leven en in zijn Naam de mensen nabij te zijn, dan voelen we ons klein, nietig en bijna verloren. We kennen onszelf en weten maar al te goed hoe ver we soms nog verwijderd zijn van de Heer en zijn volk. Dit besef van een onverdiende genade is een kenmerk van een echte roeping. Fier mogen we zijn, maar dan wel op de Heer die ons roept. Er is maar weinig reden om te roemen op onszelf. Eenvoud en deemoed sieren een echt christelijke roeping. Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat dit aspect in de Bijbelse roepingsverhalen sterk naar voor komt.

Wanneer de profeet Jesaja zijn roeping beschrijft in de tempel, dan bekent hij een mens te zijn met onreine lippen. De engel zuivert die met een gloeiende kool, zodat zijn zonde verdwenen is:

Ik zei: ‘Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met onreine lippen, ik woon onder een volk met onreine lippen en ik heb met eigen ogen de koning, de Heer van de machten gezien!’ Maar één van de serafs vloog op mij af met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar had genomen, hij raakte er mijn mond mee aan en sprak: ‘Zie, nu dit uw lippen heeft aangeraakt, is uw zonde verdwenen, en uw schuld bedekt.’ (Js 6,5-7).

De profeet Jeremia voert aan dat hij te jong is en niet kan spreken, maar God belooft bij hem te zijn om hem te redden:

Ik zei: ‘Ach Heer God, ik kan niet spreken; ik ben veel te jong.’ Maar de Heer antwoordde: ‘Zeg niet: “Ik ben veel te jong!” Ga naar iedereen tot wie Ik u zend en alles wat Ik u opdraag, moet u hen zeggen.’ (Jr 1,6-7).

Wanneer Samuël onder de zonen van Isaï een koning komt zalven, kiest God de kleine David, waar geen mens aan gedacht zou hebben:

Daarom sprak de Heer tot Samuël: ‘Hoe lang zult u nog treuren over Saul, terwijl Ik hem heb verworpen en hij geen koning meer zal zijn over Israël? Vul een hoorn met olie: Ik zend u naar Isaï de Betlehemiet, want een van zijn zonen heb Ik voor het koningschap bestemd.’ Maar Samuël zei: ‘Hoe kan ik dat doen? Als Saul het hoort, vermoordt hij mij.’ De Heer antwoordde: ‘Neem een kalf mee en zeg dat u komt om aan de Heer te offeren. U moet Isaï bij het offer uitnodigen en Ik zal dan wel duidelijk maken wat u moet doen: degene die Ik aanwijs moet u zalven.’ Samuël deed wat de Heer bevolen had. Toen hij in Betlehem kwam, liepen de oudsten van de stad hem geschrokken tegemoet en vroegen: ‘Uw komst betekent toch niets kwaads?’ Hij antwoordde: ‘Niets dan goeds. Ik ben gekomen om aan de Heer te offeren: zorg dat u heilig bent en ga dan met mij offeren.’ Hij droeg er zorg voor dat Isaï en zijn zonen zich heiligden en nodigde hen uit voor het offer. Toen zij aankwamen, viel zijn blik op Eliab en hij dacht: ‘Die daar voor de Heer staat is ongetwijfeld zijn gezalfde!’ Maar de Heer zei tegen Samuël: ‘Ga niet af op zijn voorkomen of zijn rijzige gestalte; hem wil Ik niet. Want God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’ Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuël voor, maar Samuël zei: ‘Ook hem heeft de Heer niet uitverkoren.’ Toen stelde Isaï Samma voor, maar Samuël zei: ‘Ook hem heeft de Heer niet uitverkoren.’ Zo stelde Isaï zeven van zijn zonen aan Samuël voor, maar Samuël zei tegen Isaï: ‘Geen van hen heeft de Heer uitverkoren.’ Daarop vroeg hij aan Isaï: ‘Zijn dat al uw jongens?’ Hij antwoordde: ‘Alleen de jongste ontbreekt; die hoedt de schapen.’ Toen zei Samuël tegen Isaï: ‘Laat die dan halen, want we gaan niet aan tafel voordat hij hier is.’ Isaï liet hem dus halen. De jongen was rossig, had mooie ogen en een prettig voorkomen. Nu zei de Heer: ‘Hem moet u zalven: hij is het.’ Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Vanaf die dag was de geest van de Heer over David. Daarna vertrok Samuël en ging hij naar Rama. (1S 16,1-13).

En wanneer de Schriftgeleerden morren omdat Jezus een tollenaar, Levi, geroepen had, is Jezus’ antwoord duidelijk: ‘Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering op te roepen, maar zondaars.’ (Lc 5,32).

Lees er ook maar eens Paulus op na:

Denk maar aan uw eigen roeping, broeders en zusters. Naar menselijke maatstaf waren daar niet veel geleerden bij, niet veel machtigen, niet velen van hoge afkomst. Nee, wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om het sterke te beschamen; wat voor de wereld van geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitgekozen; wat niets betekent koos Hij uit, om teniet te doen wat wel iets betekent, opdat tegenover God geen mens zich zou beroemen op zichzelf. Dankzij Hem bent u in Christus Jezus, die van Godswege onze wijsheid is geworden, onze gerechtigheid, onze heiliging en verlossing. Daarom, zoals er geschreven staat: Als iemand wil roemen, laat hem dan roemen in de Heer. (1Kor 1,26-31).

God wacht niet om ons te roepen tot wij op eigen kracht volmaakte mensen zouden zijn geworden. Hij roept ons, zwakke en zondige mensen, om volop te leven vanuit zijn vergevende liefde. Dit te weten kan ons rustiger stemmen, want we denken nog dikwijls perfecte mensen te moeten zijn vooraleer we in Gods ogen zouden meetellen.

 

Hoe ervaar ik Gods genadige blik op mijn klein leven?

Hoe kan ik ondanks of dank zij mijn beperkte mogelijkheden getuigen van Gods kracht?


Graag had ik U gevraagd
om een ander te roepen, Heer God.
Ik ken en kan niet veel.
Hoe kan ik uw bode zijn
als ik leef
van U vervreemd?
Durft U het waarlijk aan
mij in uw dienst te roepen?
Wek dan kracht in mijn onmacht.
Help mij mijn verlamming voorbij.
Laat me gaan
met geen andere zekerheid
dan dat U mij leidt.

  ^  top  


5. Het geluk van de geroepene. Vreugde omdat God ons roept.

De grote genade, de onverdiende gunst door God aangesproken te worden, vervult de geroepene uiteindelijk met diepe dankbaarheid. Is dit niet het grootste geluk dat ons kan overkomen: te geloven dat God ons in zijn barmhartige liefde aanvaardt en in zijn dienst neemt? Het gaat hier niet om een oppervlakkig en goedkoop enthousiasme dat meestal ook vlug uitgeblust raakt. Roeping is geen roos zonder doornen. Ook de geroepenen kennen twijfels, lastige dagen, strijd en beproeving, maar ten diepste weten ze zich geborgen in het vriendelijke mysterie van Gods mensenliefde. Het is hun vreugde om zo hun diepste identiteit te mogen ontdekken: als kind van God, als broer of zus van de Heer, bewoond door zijn Geest. Het is een goed teken wanneer ons hart door een diepe vrede getekend is, wanneer we niet langer bezorgd zijn, maar ons in alle rust en vertrouwen kunnen geven aan de Gever van alle goeds en aan zijn mensen.

In de Bijbel vinden we dit wel het mooist verwoord in het danklied van Maria:

Daarop zei Maria: ‘Met heel mijn hart roem ik de Heer, met al mijn adem juich ik om God, mijn Redder; want Hij heeft omgezien naar zijn vernederde dienares. Voortaan prijzen alle generaties mij gelukkig, want grote dingen heeft de Machtige met mij gedaan. Heilig is zijn naam…’ (Lc 1,46-49).

Wanneer Petrus opmerkt dat de leerlingen alles hebben prijsgegeven om Jezus te volgen, wijst Jezus op het grote geluk dat op hen wacht:

Jezus zei: ‘Ik verzeker jullie, er is niemand die zijn huis, broers, zusters, moeder, vader, kinderen of landerijen heeft achtergelaten omwille van Mij en omwille van de goede boodschap, of hij krijgt nu in deze tijd een honderdvoud aan huizen, broers, zusters, moeders, kinderen en landerijen, vervolgingen inbegrepen, en in de komende wereld eeuwig leven.’ (Mc 10,29-30).

Hopelijke mogen ook wij leven vanuit die vreugde, die een vrucht is van de Geest. Een geforceerde glimlach kunnen we best missen, maar die warme gloed die heel ons gemoed en onze inzet doorstraalt is onmisbaar. In ons bidden kunnen we dikwijls uiting geven aan onze diepe dankbaarheid en vreugde.

 

Is het danklied van Maria ook mijn danklied geworden?

Krijg ik midden alle wederwaardigheden van het leven voeling met die innerlijke stroom van vrede, van geborgen zijn bij de Heer?


Het is mijn groot geluk, Heer God,
door U gekend en geliefd te zijn.
Niets of niemand kan die vreugde
wegroven uit mijn hart.
U maakt mij zielsgelukkig,
U die mij roept bij mijn naam
en belooft er altijd te zijn voor mij.
Laat mij elke dag uw Naam bezingen:
trouwe Liefde van meet af aan,
barmhartig tot in lengte van dagen.
Berg mij in uw mededogen
en breng me thuis
in de vrede van uw Koninkrijk.

  ^  top  

6. De geroepene krijgt een ander hart, wordt een nieuwe mens

Wanneer wij ingaan op Gods roepstem, verandert er wel een en ander in ons leven. Kiezen is ook altijd verliezen. Wanneer we de Heer van zeer nabij willen volgen, krijgt ons leven een nieuwe richting, een nieuwe zin. Dit zal ook in onze levensstijl te zien zijn. Een aantal van onze vroegere bezigheden krijgen minder aandacht. Er komt meer tijd vrij voor gebed, bezinning en inzet voor de kleinen en armen. De Heer bekleedt ons met de nieuwe mens: steeds meer gaan we op de Meester lijken. Het hart van steen neemt Hij uit ons weg en Hij vervangt het door een nieuw hart van vlees, dat meeleeft met de mensen: Ik zal hun een nieuw hart geven en een nieuwe geest in hun binnenste uitstorten; Ik zal het stenen hart uit hun lichaam verwijderen en hun een hart van vlees geven. (Ez 11,19).

In het begin voelen we ons wat onwennig, niet helemaal op ons gemak. Het voorbije, het verleden valt voor een deel weg. Het nieuwe is nog zo onduidelijk. Het lijkt soms wel of we onszelf niet meer herkennen. Maar ook hier geldt het woord van de Heer: ‘Vrees niet!’ Je wordt innerlijk omgevormd, van binnenuit vernieuwd. Je wordt steeds meer een mens naar Gods hart. Die verandering, die ommekeer, is in het roepingsverhaal bij Paulus bijzonder treffend:

Zij wisten alleen van horen zeggen: degene die ons vroeger vervolgde, verkondigt nu het geloof dat hij vroeger wilde uitroeien. (Gal 1,23).

Ik was ervan overtuigd dat ik fel moest optreden tegen de naam van Jezus de Nazoreeër, en heb dat in Jeruzalem ook gedaan. Vele heiligen heb ik met machtiging van de hogepriesters in gevangenissen opgesloten, en als ze ter dood gebracht werden, gebeurde dat met mijn instemming. In alle synagogen heb ik hen herhaaldelijk met lijfstraffen tot godslastering gedwongen en in mijn tomeloze razernij vervolgde ik hen zelfs in steden buiten ons land. (…) Ik zei: “Wie bent U dan, Heer?” De Heer zei: “Ik ben Jezus die jij vervolgt. Kom overeind, sta op je voeten! Ik ben je verschenen om je aan te stellen tot gezant en tot getuige van dit visioen en van wat Ik je nog zal laten zien. Ik zal je redden uit de handen van je volk en van de heidenen, tot wie Ik je zend om hun de ogen te openen, zodat ze zich omkeren, van de duisternis naar het licht en van de macht van de satan naar God, en ze vergeving van zonden ontvangen en een erfdeel met de geheiligden, door het geloof in Mij.” (Hnd 26,9-11 en 15-18).

Wanneer Jezus zijn eerste leerlingen roept, die vissers waren, verlaten ze hun netten om vissers van mensen te worden:

Zo verging het ook Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs, die met Simon samenwerkten. Maar Jezus zei tegen Simon: ‘Wees niet bang. Voortaan zul je mensen vangen. Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Hem. ’ (Lc 5,10-11).

De profeet Amos getuigt:

‘Ik ben geen profeet of lid van een profetengilde, ik ben veehoeder en vijgenkweker. Maar de Heer heeft mij achter mijn beesten weggehaald en de Heer heeft mij gezegd: “Ga als profeet naar mijn volk Israël.”’(Am 7,14-15).

Gods roepstem kan ons leven grondig dooreenschudden. Zijn Woord roept steeds om bekering, om vernieuwing van leven. Dit vraagt van ons klare keuzes en moed om consequent evangelisch te leven. Met de Heer verbonden is er echter geen reden tot vrees, maar veeleer tot vreugde. We mogen ten volle openbloeien als we mensen worden naar zijn hart.

 

Welke veranderingen brengt het ingaan op de roepstem van de Heer met zich mee in mijn leven?

Kan, durf ik een stuk verleden loslaten om de nieuwe weg te volgen waarop de Heer voorgaat?


U die ons kent en roept,
bevrijd ons van onze angst voor zelfverlies.
Leg in ons een sterk verlangen
om nieuwe mensen te worden
naar het beeld van uw geliefde Zoon.
Bekeer, herschep mijn hart.
Maak het bereid tot dienst aan uw rijk
van vrede en gerechtigheid.
Geef mij een ander hart, Heer God,
maak mij nieuw en standvastig.

  ^  top  

7. Onteigening van de geroepene

De verandering, de ommekeer die de geroepene doormaakt in zijn leven kan vrij verregaande gevolgen hebben. Hij ondervindt al vlug niet langer de enige te zijn die over zijn leven beschikt. In onze tijd waarin veel over zelfontplooiing en zelfrealisatie gesproken wordt, komt dit aspect van het roepingsgebeuren vreemd en moeilijk over. Toch is het een evangelische grondwet dat we maar ten volle leven als we onszelf durven verliezen en weggeven. We kunnen maar volop gelukkig zijn als we anderen gelukkig maken en leven vanuit ontvangen geluk. Het centrum van ons leven verplaatst zich dan naar de Heer en de armsten onder onze medemensen. We dienen ons los te maken van al ons bezit:‘Zo moet ieder van u afstand doen van alles wat hij bezit; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.’ (Lc 14,33). Jezus formuleert het heel sterk:

‘Wie naar Mij toekomt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven verfoeien; anders kan hij geen leerling van Mij zijn. Hij moet zijn kruis dragen en Mij volgen, anders kan hij geen leerling van Mij zijn.’ (Lc 14,26-27).

We moeten eerst verkopen wat we bezitten om het aan de armen te geven. Pas dan mogen we terugkeren om Jezus te volgen: Jezus keek hem aan en ging van hem houden. Hij zei hem: ‘Aan één ding ontbreekt het u nog: ga verkopen wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.’ (Mc 10,21).

Het roepingsverhaal van Abraham begint als volgt: De Heer zei tegen Abram: ‘Trek weg uit uw land, uw stam en ouderlijk huis, naar het land dat Ik u aan zal wijzen.’ (Gn 12,1-3). Paulus vat het als volgt goed samen: ‘Ikzelf leef niet meer, Christus leeft in mij.’ (Gal 2,20) en in de tweede brief aan de Korintiërs lezen we: En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die voor hen is gestorven en verrezen. (2Kor 5,15)

Gods roepstem doorbreekt de cirkel van onze ik-betrokkenheid, van onze overdreven gehechtheid aan bezit, macht en prestige. Hij buigt ons hart om en vraagt ons leven te geven zoals Jezus het ons voordeed. Geroepenen zijn gegeven mensen. Ze ervaren dat hun grijpende handen worden omgevormd tot milde, uitdelende handen en tot gevouwen, biddende handen. In de eucharistie ontvangen ze telkens weer de kracht om zo te leven.

Lees ook eens Lc 9,57-62:

Terwijl ze hun reis voortzetten, zei iemand onderweg tegen Hem: ‘Ik wil U volgen, waar U ook naartoe gaat.’ Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben een hol, en de vogels van de hemel een nest, maar de Mensenzoon kan nergens het hoofd neerleggen.’ Tegen een ander zei Hij: ‘Volg Me.’ Die zei Hem: ‘Heer, sta me toe eerst mijn vader te gaan begraven.’ Maar Hij zei hem: ‘Laat de doden hun doden begraven; u moet het koninkrijk van God gaan verkondigen.’ Weer een ander zei: ‘Ik wil U volgen, Heer, maar sta me toe eerst thuis afscheid te nemen.’ Tegen hem zei Jezus: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat en dan nog eens omkijkt, deugt niet voor het koninkrijk van God.’

 

Wat stoort of trekt me aan in Jezus’ radicale woorden tot de geroepenen?

Waar voel ik het sterkst aan dat de roep van de Heer me wil genezen van de kramp van de ik-zucht?



Ik aarzel, Heer,
gehoor te geven aan uw stem.
Ik schrik terug voor de gevolgen.
‘k Geef niet graag het roer uit handen.
Waarom zou ik U, een Ander,
laten beschikken over mijn leven?
Geef me de moed
om mijn leven niet voor mezelf te houden.
Laat mij het avontuur beginnen
om tot elke mens die ik ontmoet
U na te zeggen:
‘ik zal er zijn voor u’,
ook als het veel van me vraagt.
Schenk mij de grote vreugde
een gegeven mens te zijn.

  ^  top  

8. Pijn en eenzaamheid van de geroepene, maar nooit zonder hoop

Geroepenen voelen zich bij momenten onbegrepen uitzonderingsgevallen. Ze leven van een groot gelukkig makend geheim, maar zo weinigen verstaan hen. Ze weten zich door God gegrepen, maar stellen met pijn in het hart vast dat velen zich maar weinig meer om God bekommeren. In eigen familie- en vriendenkring worden ze geduld en gerespecteerd, maar weinigen zijn vertrouwd met het vuur dat brandt in hun hart. Dit gevoel van alleen te staan is ook in de Bijbel aanwezig. De grote profeet Jeremia doet geregeld zijn beklag bij de Heer over het feit dat zijn volk niet naar hem luistert en hem uitstoot:

Zodra uw woord mij bereikte verslond ik het, het was mijn vreugde, het maakte mij zielsgelukkig. Ik draag immers uw naam, Heer, God van de machten. Nooit zat ik in vrolijk gezelschap, nooit heb ik vreugde gekend. Ik leefde eenzaam, gegrepen door U, en was van uw woede vervuld. Waarom komt er geen eind aan mijn pijn, waarom is mijn wond niet te helen, waarom wil ze niet genezen? U bent voor mij een onbetrouwbare beek waarop men niet kan rekenen. ‘Daarom,’ zo spreekt de Heer, ‘neem Ik u weer in mijn dienst, als u uw woorden terugneemt. Spreek geen onwaardige taal, dan laat Ik u weer mijn tolk zijn. Zij moeten zich richten naar u, u mag zich niet richten naar hen. Dan maak Ik van u voor dit volk een onneembare, koperen muur. Ze zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen, want Ik ben bij u om u te helpen en u te redden – godsspraak van de Heer. Ik verlos u uit de hand van slechte mensen. Ik zal u bevrijden uit de greep van de machtigen.’ (Jr 15, 16-21).

Maar ondanks alle ontmoediging en teleurstelling wordt er in zijn hart steeds nieuwe hoop geboren. Er laait een vuur op in zijn hart:

Heer, U hebt mij verleid; ik ben bezweken, U was te sterk voor mij. Ik kan niet tegen U op. De hele dag lacht men mij uit, iedereen drijft de spot met mij. Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen, en ‘geweld en onderdrukking’ roepen. Het woord van de Heer brengt mij iedere dag schande en vernedering. Soms denk ik: ik wil er niets meer van weten, ik spreek niet meer in zijn naam. Maar dan laait er een vuur op in mijn hart, het brandt in mijn gebeente. Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden, maar het lukt me niet.(Jr 20,7-9).

Wanneer de profeet Elia op de vlucht is voor Izebel, gaat hij in de woestijn zitten en verlangt te sterven. Het was hem teveel geworden. Maar God bezorgt hem voedsel en nieuwe krachten om zijn tocht voort te zetten:

Na een tocht van een dag in de woestijn kwam hij bij een bremstruik. Hij ging eronder zitten. Hij wilde sterven en zei: ‘Het wordt mij teveel, Heer; laat mij sterven, want ik ben niet beter dan mijn voorvaders.’ Daarna ging hij onder de bremstruik liggen en sliep in. Maar opeens stootte een engel hem aan en zei tegen hem: ‘Sta op en eet.’ Hij keek op en daar zag hij aan zijn hoofdeinde een koek, op gloeiende stenen gebakken, en een kruik water. Hij at en dronk en viel weer in slaap. Maar opnieuw, voor de tweede maal, stootte de engel van de Heer hem aan en zei: ‘Sta op en eet; anders gaat de reis uw krachten te boven.’ (1K 19,4-7).

Jezus waarschuwt zijn apostelen als Hij hen uitzendt en zegt dat een leerling niet boven zijn meester staat. Maar wat er hen ook mag overkomen, ze mogen vertrouwen op de bijstand van Gods Geest:

Bedenk wel: Ik stuur jullie als schapen tussen de wolven. Wees dus slim als slangen en eenvoudig als duiven. Pas op voor de mensen, want ze zullen je uitleveren aan rechtbanken, en in hun synagogen zullen ze je geselen. Men zal jullie voor landvoogden en koningen brengen omwille van Mij, als een getuigenis voor hen en de heidenen. Wanneer ze jullie uitleveren, maak je dan geen zorgen over hoe je zult spreken en wat je zult zeggen. Want op dat uur zal jullie ingegeven worden wat je moet zeggen. Want jullie zijn het niet die spreken, maar het is de Geest van je Vader die in jullie spreekt. De ene broer zal de andere aan de dood uitleveren, en een vader zijn kind, en kinderen zullen tegen hun ouders in verzet komen en hen ter dood brengen. Jullie zullen door iedereen gehaat worden vanwege mijn naam. Wie volhardt tot het einde, die zal gered worden. Wanneer ze jullie vervolgen in deze stad, vlucht dan naar de volgende. Want Ik verzeker je, jullie zullen de steden van Israël nog niet rond zijn voordat de Mensenzoon komt. Een leerling staat niet boven zijn meester en een slaaf niet boven zijn heer. Voor de leerling is het voldoende dat hij wordt als zijn meester, en voor de slaaf dat hij wordt als zijn heer. Als men de heer des huizes al Beëlzebul genoemd heeft, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten. (Mt 10, 16-25).

Tegenkanting, onbegrip en ondankbaarheid komen voor in het leven van elke geroepene. Maar nooit hebben ze het laatste woord. God spreekt het laatste woord dat telkens nieuwe kracht en sterkte geeft. Het is goed te weten dat pijn en strijd ook ons kunnen overkomen, maar nog beter is het te weten dat God ons nooit in de steek laat.

 

In welke omstandigheden voel ik me alleen en onbegrepen in mijn leven als geroepene?

Hoe ervaar ik dan de troost van Gods nabijheid?


Blijf niet ver van mij, Heer God,
als mijn keuze voor U
me tot vreemde maakt
in mijn omgeving.
Leer me weerstand bieden
aan de verleiding om het op te geven
en niet langer naar U te luisteren.
Overtuig me van uw reddende nabijheid.
Laat nieuwe hoop geboren worden
in mijn moedeloos hart.
Geef dat ik niet let
op het ontbrekend applaus
maar op de tekenen
van uw goedheid en trouw.

  ^  top  

9. Uitverkoren om te getuigen, gezonden om te dienen

De genade van elke roeping wordt nooit gegeven tot loutere zelfheiliging. God roept mensen opdat ze als geheiligden zich zouden inzetten voor Gods zaak, voor de opbouw van zijn Rijk. De verrezen Heer zendt zijn geroepenen uit om zijn werk voort te zetten in de Kerk, in de wereld. Wanneer we lezen hoe Jezus zijn apostelen en de 72 leerlingen uitzendt, valt het op dat zij te doen krijgen wat Hij heeft gedaan: de Blijde Boodschap verkondigen, weldoend rondgaan om zieken te genezen en zondaars tot bekering roepen. Zijn werk dient onverminderd voortgezet te worden totdat allen kennis kunnen maken met zijn liefdesaanbod:

Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om onreine geesten uit te drijven en elke ziekte en elke kwaal te genezen. De namen van de twaalf apostelen zijn deze: allereerst Simon, die Petrus genoemd wordt, en dan Andreas, zijn broer, Jakobus van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, verder Filippus en Bartolomeüs, Tomas en de tollenaar Matteüs, Jakobus van Alfeüs en Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die Hem overgeleverd heeft. Deze twaalf zond Jezus uit met de opdracht: ‘Sla de weg naar de heidenen niet in, en ga een stad van de Samaritanen niet binnen. Maar ga liever naar de verloren schapen van het huis van Israël. Verkondig op je tocht: “Het koninkrijk der hemelen is ophanden!” Genees zieken, wek doden op, maak melaatsen rein, drijf demonen uit. Voor niets hebben jullie gekregen, voor niets moet je geven. Neem geen goud-, zilver- of kopergeld mee in je beurs, neem geen reistas mee voor onderweg, geen twee stel kleren, geen sandalen en geen stok. Want de arbeider is zijn levensonderhoud waard. Als je een stad of dorp binnenkomt, onderzoek dan wie het waard is jullie daar te ontvangen. Blijf daar tot je verder reist. Als je een huis binnengaat, wens het dan vrede. Als het huis die waard is, moge jullie vrede dan daarop neerdalen, en als het die niet waard is, moge jullie vrede dan naar jullie terugkeren. Als ze je niet ontvangen en niet luisteren naar je woorden, ga dan weg uit dat huis of die stad en stamp het stof van je voeten. Ik verzeker jullie, voor het land van Sodom en Gomorra zal het draaglijker zijn op de dag van het oordeel dan voor die stad. (Mt 10,1-15).

Voor de zending van de tweeënzeventig leerlingen, lees: Lc. 10,1-12.

Die zending kan veel verschillende gestalten aannemen (inzet voor catechese, ziekenzorg, verbondenheid met jonge Kerken, zorg voor mensen in kansarmoede, voorbereiden en vieren van sacramenten, bidden, enz.) maar in de grond werken alle geroepenen aan hetzelfde. Samen vormen ze Jezus’ gelaat in onze huidige wereld. Zo heeft Hij het gewild. Hoe ons concrete dienstwerk eruit ziet en evolueert, is niet het belangrijkste. Wel dient vast te staan dat we niet geroepen worden om gediend te worden, maar om te dienen. Die grondhouding groeit in elke geroepene. Een mooi voorbeeld vinden we in Jesaja 61,1-3:

De geest van de Heer God rust op mij, want de Heer heeft mij gezalfd. Hij heeft mij gezonden om de armen het blijde nieuws te brengen, om gebroken harten te verbinden, om de gevangenen vrijlating te melden, en de geketenden de terugkeer naar het licht; om het genadejaar van de Heer te melden, een dag van wraak voor onze God; om alle treurenden te troosten, om aan de treurenden van Sion een kroon te geven in plaats van as, vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad, een kleed van roem in plaats van een kwijnend gemoed. Met noemt hen ‘Eiken van heil’, door de Heer geplant, een blijk van zijn luister.

Alle geroepenen zullen er op onze dagen speciaal toe bijdragen het geloof levend te houden in een soms zo onverschillige wereld. Door ons leven vanuit God en voor de mensen bieden we het getuigenis waaraan onze tijd grote nood heeft. We weten ons gezonden om zoals Jezus Gods liefde bij de mensen te brengen.

 

Welke diensttaken neem ik nu concreet op als geroepene en gezondene?

Waardeer ik de diensttaken die andere gezondenen behartigen?


Maak mij graag tot dienst bereid, God,
geef me de kracht
om te gaan waar U me zendt.
Maak me tot een trouwe boodschapper
van uw menslievendheid,
bij al wie wachten op een teken
van uw zorg en aandacht.
Leer me getuigen in woord en daad
dat U mensen draagt
voorbij hun kwaad, voorbij hun dood.
Laat mij al wat ik heb, ken of ben
inzetten tot lof van uw Naam,
tot geluk en zegen van velen.

  ^  top  

10. Ondervraagd over de liefde

Alle facetten van het roepingsgebeuren komen samen in het liefdesverbond tussen de Heer en de geroepene. Het gaat hierbij niet om goedkope sentimentaliteit, maar om de diepste overgave waartoe een mens in staat is. Een geroepene zou door het vuur gaan voor zijn Heer omdat hij mocht ondervinden dat zijn Heer voor hem al door het vuur van lijden en dood is gegaan. Met heel zijn hart, zijn ziel, zijn verstand en al zijn krachten wil de geroepene zich hechten aan zijn Heer. Ons jawoord komt uit het diepste van ons hart. We kunnen het niet 100% redelijk verantwoorden. De geroepene heeft iets gezien in zijn Heer omdat hij beseft hoe de Heer hem heeft gezien en bij name geroepen.

Die liefde wordt op haar trouw beproefd doorheen de wederwaardigheden van het leven. Een stuk ontrouw, een stuk vervlakking, wat sleur en slenter kunnen ook ons deel worden. Als we dan maar nooit vergeten dat de Heer ons blijft vragen: “Heb je Mij lief?” Mogen we steeds weer in alle oprechtheid zoals Petrus kunnen zeggen: “Heer, U die alles weet, U beseft toch wel dat ik van U houd”.

Toen ze gegeten hadden vroeg Jezus aan Simon Petrus: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je Me lief, meer dan de anderen hier?’ ‘Ja, Heer,’ zei hij, ‘U weet dat ik van U houd.’ Daarop zei Jezus: ‘Zorg dan voor mijn kudde.’ Nogmaals vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je Me lief?’ ‘Ja, Heer,’ zei hij, ‘U weet dat ik van U houd.’ Daarop zei Jezus: ‘Wees dan een herder voor mijn schapen.’ Nog een derde keer vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van Mij?’ Het deed Petrus pijn dat Hij hem voor de derde keer vroeg of hij van Hem hield, en hij zei: ‘Heer, U die alles weet, U beseft toch wel dat ik van U houd.’ Daarop zei Jezus: ‘Zorg dan voor mijn schapen.’ (Joh 21,15-17).

 

Waar bleef ik onder de maat van de liefde?

Wanneer maakte ik kennis met het ‘nieuwe kansen beleid’ van de Heer?


Heer, uw liefde is meer dan het leven.
Uw barmhartigheid houdt het uit
tegen onze ontrouw in.
Uw goedheid tilt ons op
uit onze traagheid in geloof en liefde.
Als wij U verloochenen,
verras ons dan met nieuw vertrouwen,
een hernieuwde roep
die ons sterker aan U bindt.
U die mij beter kent
dan ik mezelf ken,
aanvaard mijn diep verlangen
om van U te zijn,
nu en voorgoed.

Koen Vanhoutte
16 april 2013